Het geloof van Job
De Bijbel vertelt ons dat Job een zeer welvarend gezin had, evenals tien kinderen en veel dienstknechten; hij werd zeer gerespecteerd en hoog aangeschreven door zijn collega's. Door de verleidingen en aanvallen van Satan verloor Job echter al zijn bezittingen en zijn kinderen binnen een enkele dag en werd daarna volledig bedekt met zweren. Die beproeving veranderde Job van de aanzienlijkste man in het Oosten tot de meest behoeftige persoon in het Oosten, en hij werd ook beoordeeld en aangevallen door zijn familie en vrienden. Zelfs toen hij geconfronteerd werd met zo'n grote beproeving, sprak Job geen enkel woord van klacht tegen God uit, en hij wierp zich zelfs neer in de aanbidding van God en zei: "Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd!" (Job 1:21) en "... zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen? ..." (Job 2:10).
Door zijn beproeving kon Job afzien van zondigen met zijn woorden, en ook in gebed voor God komen. Dit toonde aan dat God een plaats in zijn hart had, hij had waar geloof in God, hij geloofde dat alle gebeurtenissen en alle dingen in Gods handen zijn, en al die omstandigheden waarmee hij geconfronteerd werd, hadden Gods goedkeuring en waren niet door de mens gemaakt. Uiteindelijk was hij in staat om aan alle regelingen van God te gehoorzamen en een getuigenis voor God te geven en Satan volledig te beschamen. Hoe had hij ervaren om zoveel geloof voor God te hebben? Wat voor begrip van God had hij om een getuigenis voor God te geven? Wil je degene zijn zoals Job die gezegend is door God? Laten we de onthulling van Gods woord volgen om Job te kennen en te leren dezelfde persoon te zijn als Job.
Almachtige God
zegt: "Diep in zijn hart geloofde Job dat alles wat hij bezat hem door God toevertrouwd was en niet het resultaat van zijn eigen zwoegen en zweten. Vandaar dat hij deze zegeningen niet zag als iets om van te profiteren, maar klampte hij zich uit alle macht vast aan de weg die hij behoorde te wandelen als zijn levensprincipe. Hij koesterde Gods zegeningen en was er dankbaar voor, maar was niet gecharmeerd van meer zegeningen en streefde daar ook niet naar. Zo was zijn houding ten opzichte van bezit. Hij deed niet iets om zegeningen voor zich te winnen, noch maakte hij zich zorgen over of voelde hij zich benadeeld door het gebrek aan of verlies van Gods zegeningen; hij stond niet te jubelen vanwege Gods zegeningen, maar evenmin negeerde hij de weg van God of vergat hij de genade van God vanwege de zegeningen die hij vaak mocht ontvangen. Jobs houding ten opzichte van zijn bezit toont mensen zijn ware menselijkheid: Allereerst was Job geen hebzuchtig man en niet veeleisend in zijn materiële leven. Ten tweede was Job nooit bezorgd of bevreesd dat God alles wat hij had weg zou nemen, wat zijn gehoorzame houding ten opzichte van God was in zijn hart; dat wil zeggen dat hij niet met vragen of klachten kwam wanneer danwel of God iets van hem af zou nemen en niet naar de reden vroeg, maar probeerde alleen te gehoorzamen aan de maatregelen van God. Ten derde had hij nooit het idee gehad dat zijn bezittingen het resultaat waren van zijn eigen zwoegen, maar dat die hem waren toevertrouwd door God. Dit was Jobs geloof in God en is een indicatie van zijn overtuiging."
uit 'De Kerk van Almachtige God'
